Ik ga niet te vaak naar concerten. Waarom eigenlijk niet? Ik
houd van muziek, heel erg zelfs maar iets lijkt met tegen te houden. Wellicht
heb ik wel teveel liefde voor de muziek. Ik kan helemaal opgaan in nummers.
Simpele nummers die enkel met een piano of gitaar waarin je ziel wordt geraakt.
Nummers die je nadat ze zijn afgelopen nog een keer wilt horen, en nog een keer
en nog harder. Liedjes die live nog mooier en beter zijn dan dat ze op de cd
klinken. Ik houd vreselijk veel van muziek, ik ga niet naar concerten omdat ik
op slag verliefd wordt op die zangeres die prachtige melodieën creëert en
hartstochtelijk zingt over onmogelijke liefdes. Ik ga niet naar concerten om ik
de zanger van dat prachtige nummer over die verbroken relatie als mijn beste
vriend ga zien. Deze mensen zorgen voor ‘stofjes’. Zoals mijn collega dat noemt
‘ stofjes’ die je een onbeschrijfelijk gevoel geven net zoals verliefd zijn of
chocolade eten. Je wilt er altijd meer van, je wilt niet dat het stopt….nooit!
Maar liedjes duren niet eeuwig, de muziek houdt op en dat is het stofje weg en wat
blijft er achter? Een vreselijke sterke behoefte aan dat ‘stofje’ dat zelfs de
cd niet meer goed kan maken. En daarom ga ik niet vaak naar concerten, de cd
verdwijnt in de kast en slechts de herinnering aan dat gelukzalige moment van
die prachtige ‘ stofjes’ blijft. Mooi verhaal natuurlijk en jullie geloven het
ook nog vast maar de waarheid is enkel dat ik gewoon niet zo van mensenmassa’s
houd.
Ik had op dat moment toch best wel een beetje houvast kunnen
gebruiken. Jammer genoeg had de pistebulley hier anders over gedacht. Elders
bleek de sneeuw harder nodig dat op de plek waar ik mij op dat moment bevond.
De dag ervoor was er niets aan de hand, het zag er zelfs hoopvol uit met een
betrekkende lucht die toch wel enige vorm van neerslag zou moeten opleveren. De
voorkeur ging uit naar een mooi vers laagje wit poeder zodat iedereen zich weer
in hogere sferen kon begeven maar niets bleek minder waar. Neerslag kwam er
maar zorgde voor nog meer ellende. Na een mooi laagje sneeuw te hebben weggeschraapte
bleek enkel een harde, verbrokkelde en spiegelgladde vlakte over. Een vlakke
vlakte waar je toch wel snelheid moet maken om beneden te kunnen komen. Beneden
komen lukte sowieso wel, al was links afslaan niet aan te raden getuige de
diepe afgrond met vrolijk uitstekende rotspunten. Een smalle, vlakke en toch
hobbelige, spiegelgladde piste schoot met ongeveer 40 kilometer per uur onder
mijn monoplankje door terwijl de tweelattigen fluitend langs mij heen schoten
deed ik verwoedde pogingen dit deel van mijn leven zo kort mogelijk te laten
duren maar niet zo kort dat het niet meer verder zou gaan aangezien ik toch wel
naar die links gelegen afgrond neigde. En voor ik het wist had ik een nieuwe
sport uitgevonden, extreme sport welteverstaan, al gaat snowboarden op je knieën
gevolgd door een tweevoudige salto denk ik geen Olympische status verkrijgen.
Eigenlijk is het heel erg zielig. Althans zo zie ik het, maar dat is volgens mij niet de norm. Ik ben er nog niet echt over uit of dit nu een menselijk trekje, of wellicht een dierlijk trekje is. Het is in ieder geval niet heel erg chique, dat weet ik in ieder geval zeker. Ik ben namelijk redelijk vaak in mijn leven overgelopen. Voornamelijk van zwemvereniging naar zwemvereniging maar soms ook van coach naar coach of van studentenhuis naar studentenhuis. Vaak draaide het wel om het zwemmen dus wellicht kan ik niet over het algemeen spreken en enkel over hoe dat binnen het ‘dorpje’ van het zwemmen gaat. Zodra je aankondigt dat je weggaat (vaak met goede gegronde redenen zonder ruzie) dan is het vanaf het moment dat je uitspreekt een ‘outcast’. Vanaf dat punt hoef je niet meer op vriendelijkheid te rekenen. Mensen springen over in de zakelijke modus en wat er verder met jou gebeurd kan ze geen zak meer schelen. Je voelt je haast een landverrader dat je hun clubje durft te verlaten voor iets anders. Misgunnen in plaats van begrip.
Inmiddels heb ik het al zo vaak meegemaakt dat ik er niet meer van opkijk. Ik weet dat het gaat gebeuren, zorg dat ik geen ingewikkelde dingen meer hoef te regelen en hoop altijd maar dat er nog een paar mensen zijn die wel gewoon normaal tegen je blijven doen. Ik vind het geen stijl maar goed zoals ik al zei ben ik niet de norm om dat te bepalen.
Toen ik afgelopen zondag over de A15 reed richting Nijmegen
besefte ik mij dat ik niet vaak over deze weg ben gereden. Het is een vreselijk
saaie weg maar met herinneringen te over. De weg die ik ooit met mijn vader heb
gereden toen we naar een watersport beurs gingen. De afslag bij Tiel waar ik
mijn eerste (en ik gok ook mijn laatste) happy meal naar binnen heb gewerkt.
Terwijl één afslag verder ik bij Van der Valk altijd het Flippermenu bestelde. En
de weg tussen Rhenen en Nijmegen die ik regelmatig heb afgelegd naar de
Gelderse zomerkampioenschappen zwemmen. In een veel te warm en veel te klein
zwembad, veel teveel afstanden zwemmen en dito medailles winnen. In die tijd
was ik fit, heel erg fit. Nee, dat lieg ik, ik was in tegenstelling tot nu topfit!
Maar dit keer moet ik 15 kilometer rennen door heuvelachtig Nijmegen en
omstreken terwijl ik het aantal keer dat ik heb serieus gesport de afgelopen
twee jaar op 1 hand kan tellen. Ik weet nu al dat ik pijn ga krijgen. Tijdens
het rennen zelf, als ook de dagen erna. Ik moet en zal de finish halen, dat ben
ik mijzelf verplicht als ex-topsporter, denk ik terwijl ik de afslag passeer
die mijn moeder en ik altijd namen richting het zwembad. Ik rij rechtdoor op
weg naar de zevenheuvelenloop en verlang terug naar de tijd dat ik met gemak 14
uur per week in het water lag. Aan het beperkte leven van slapen, eten, trainen,
eten, slapen, eten, trainen, eten en slapen. Of…
Ze nam mijn hart maar vergat er iets voor terug te leggen. Mijn hart was gestolen en ik werd harteloos. Alle relaties die volgden bleken vruchteloos. Ik was leeg, bot, oppervlakkig en zonder empathie. Mijn hart geven, met alle ziel en zaligheid, kwam niet eens meer in mij op. Mijn hart ging niet sneller kloppen, dat kon het niet eens. Zij had besloten dat wij niet verder konden, een democratisch besluit met zichzelf. Terwijl ik lag te slapen nam zij mijn hart en sloop heel zachtjes weg.
Ik leef niet meer, ik doe slechts mijn dagelijkse dingen. Vanachter mijn bureau dwaal ik af in de duizelingwekkende diepte van mijn lege ziel. Mijn hart geeft haar warmte, mijn hart geeft haar licht. Terwijl zij gelukkig door kan, staat mijn leven al maanden stil. Het lachen gaat niet meer zo goed, genieten evenmin. Zij nam mijn hart en liet het daarbij. Geen zoen, geen hand, geen woord. Ze liet nooit meer van zich horen, over hoe het met haar gaat. Verbrak daarmee de illusie dat mijn leven gewoon verder gaat.
’’Kan ik nooit meer mijn hart aan iemand schenken. Ben ik zonder hart dan zo vervreemd van iedereen?’’ Vroeg ik mij hardop af. Waarop een alleszeggende stilte, zelfs in mijn hoofd, het bevestigende antwoord gaf.
Like