Een plastic tas, gevuld
met allerlei spullen die ik zelf nooit zal en had kunnen kopen. Mijn moeder
drukte hem in mijn handen vlak voordat ik terug zou gaan naar mijn
studentenkamertje.
“Hier Jongen, neem maar
mee en niet alles in één keer opeten hè!” Zei ze op bemoederende toon.
Ik dankte haar en ging op
weg. De trein is zoals altijd weer te laat, te kort en veel te vol. Ik neem
plaats, leg m’n tassen naast me en zet mijn koptelefoon op mijn hoofd. Het
volume neemt toe wanneer de trein optrekt. Ik dommel een beetje, droom wat, en
af en toe kijk ik door de ramen in de vandaag wel erg donkere nacht, op zoek
naar lichtjes. Intussen rijdt de trein het station binnen en stopt om mensen
uit te laten stappen en anderen binnen te laten.
Tussen de zwaar bepakte
studenten, met hun schone was en diepvriesprakjes voor de komende week, komt
een meisje binnen. Ze gaat direct zitten, ik heb haar niet volledig in me op
kunnen nemen, maar er was toch zeker sprake van enig oogcontact. En hoe! Het is
dat ik een beetje ervaring heb met zwemmen in mooie ogen, anders was ik beslist
meegesleurd en verdronken.
Als een kind dat net voor
het eerst in z’n leven een ritje in de achtbaan heeft gemaakt, denk ik: Ik wil
nog een keer! Ik wil oogcontact! Ik zoek tussen de twee stoelen door, maar daar
tref ik een ander paar ogen, oudere ogen, lelijk opgemaakte ogen. Ogen die niet
tot mijn doelgroep behoren. In de reflectie van het raam heb ik meer succes, ik
ontwaar haar gezicht, maar ze kijkt naar beneden.
En dan ineens, zoals het
eigenlijk alleen in films kan, zo heerlijk traag en ondersteund door een
romantisch liedje vanuit mijn koptelefoon, kijkt ze op en direct hebben we
oogcontact. Instinct neemt het over en gebied mij niet te staren. Een
onbedwingbare drang om weer te kijken maakt zich van mij meester. Quasi
nonchalant kijk ik naar buiten maar nu let ik totaal niet meer op de lichtjes.
Ik denk aan haar, dat meisje dat ik niet eens ken, die net enkele seconden in
mijn leven is, aan haar ogen die mij nu al 2 keer hebben gevonden. Ik bid dat
ik nog één keer in haar ogen mag kijken. Al is het voor maar 1 keer. Ik bid
eigenlijk nooit, maar dit lijkt me een goede reden.
Hoewel de trein het
volgende station heeft bereikt, ben ik blijven steken bij die ogen. Kansloos,
ik vervloek mijzelf en mijn verlegenheid. Ik had moeten vragen of ik haar
krantje mocht lezen of iets anders ogenschijnlijk onbelangrijks. Enkel om met
haar in contact te komen. Ik blijf hopeloos zoeken naar oogcontact, maar daar
kan geen relatie mee ontstaan, laat staan bestaan. Straks stapt ze uit,
verdwijnt ze tussen die lichtjes buiten en is ze weg, voorgoed uit mijn leven.
En ik? Ik blijf achter, voor de zoveelste keer, mijn eigen falen goed pratend,
door haar kleding, make-up of figuur af te kraken. Maar in feite had ik het
wederom te pakken. Een verliefdheid, intens, heftig maar slechts voor 10
seconden.